Tag Archives: Groundhoppen

Waar ik van hout

“…het aantal betalende bezoekers vandaag bedraagt… Zes.” 

Aantallen tellen niet. Fraaie houten tribunes wel. En daarvoor ben je bij de Velpse Voetbalvereniging Olympia (VVO) aan het juiste adres.

Precies 111 jaar en één dag na de oprichting spelen de 4e klasse Oost-amateurs op De Pinkenberg hun zondagswedstrijd tegen Kilder (2-0). Waar het voetbal af en toe het aanzien niet waard is (“het was slecht”, aldus coach Dave de Jong), is de uit 1939 stammende tribune een streling voor het oog.

Het is niet ondenkbaar dat de topper volgende week tegen Brummen beter wordt bezocht.

De WAG’s hebben hun eigen tribune.

Knock on wood..

Ooit schijnt Jhonnie van de Beukering hier te hebben gespeeld. Vandaag de dag doet VVO het met minder gewichtige namen.

Heerlijke typo. En een snorfiets. Tegen zo’n achtergrond. Meer moet je ook niet willen.


Stadionautisten


Groundhoppers heb je in alle soorten en maten, maar ze herkennen in elkaar de onbedwingbare neiging om zwijgend een gammele tribune op te klimmen, het liefst in de regen. Ze huilen zachtjes wanneer ze iets te lang naar een tribunedak van golfplaten staan te kijken. Ze worden weeïg van ouderwetse kaartenloketten. Ze kopen hamburgers in ranzige frituurcaravans, om er daarna quasi-ernstig een recensie over te schrijven op hun weblog...”

Aldus Sjoerd Mossou die de spijker weer eens op z’n kop slaat in zijn AD-column.


Leve de Non-League

image

Glippers en een mascotte die Elvis Gresley heet. Veel beter dan dit kon het afgelopen zaterdag niet worden bij Non-League Gresley FC.

(later meer)


Om in te lijsten: Stade Pré Wigy

Stade Pre Widgy-AS Herstal, originally uploaded by stadiongebod.

Stade Pré Wigy (AS Herstalienne) en een tribune om in te lijsten.


Voetbalcultuur langs de lijn

Commercie om voor te lachen, originally uploaded by stadiongebod.

Reclameborden worden niet veel leuker dan dit (Puyenbeke-stadion, St.Niklaas)


Ooit was de Galgenwaard het walgen waard

In een tijd dat clubs in stadions spelen met soms bizarre sponsornamen, zijn De Vliert, De Geusselt of Woudenstein een verademing. Stadions met een naam die recht doet aan de geschiedenis en afkomst van een club. De Utrechtse Galgenwaard valt ook in die categorie.

De stadiongeschiedenis van de Galgenwaard gaat terug tot 1936. De crisis waarin Nederland dan verkeert, heeft zijn hoogtepunt bereikt. Om de werkloosheid het hoofd te bieden worden in heel Nederland werkgelegenheidsprojecten gestart.  Zo ook in Utrecht waar in het buitengebied Galghenwert een nieuw stadion wordt gebouwd. Stadion Galgenwaard zoals het complex bij de opening heet, is opgetrokken in de stijl van die tijd. Dat wil zeggen: een eretribune, betonnen staantribunes rondom en een voetbalveld dat wordt omringd door zowel een atletiekbaan als een wielerbaan.

De Utrechtse voetbalclubs DOS, Hercules en Velox nemen hun intrek en zorgen ervoor dat er elke week wel wordt gevoetbald in de Galgenwaard. Als het betaald voetbal zijn intrede doet in 1954, tekent zich een scheiding af.  DOS en Velox gaan betaald terwijl Hercules dat liever blijft liefhebben, vertrekt.  De overgang naar het betaalde voetbal pakt in eerste instantie goed uit voor DOS dat een paar jaar later voor de eerste en enige keer in zijn bestaan landskampioen wordt. Het blijkt het hoogtepunt van de club die de jaren daarop -net als Velox- veroordeeld raakt tot een bijrol.

Dat blijft zo tot 1970. Dan fuseren Elinkwijk, DOS en Velox tot FC Utrecht dat in de Galgenwaard blijft spelen. De club weet zich te handhaven op het hoogste niveau maar blijft toch vooral een wat saaie middenmoter. Als Utrecht de voorpagina’s haalt dan is dat vaker vanwege de Bunnik Side, de harde kern van FC Utrecht, dan vanwege de sportieve resultaten. Het voetbalvandalisme heeft zijn intrede gedaan in het voetbal en de supporters van Utrecht bouwen in die jaren een dusdanige reputatie op dat de burgervader van Bunnik zich bij het bestuur van de club beklaagt. De supporters van de tribune die aan de kant van het plaatsje ligt, halen de goede naam door het slijk.

Door het vandalisme lopen de toeschouwersaantallen in de Galgenwaard die toch al niet zo bijzonder waren, verder terug. De club en de gemeente besluiten in te grijpen. Er moet een nieuw stadion komen waarin de club nu wel de sprong naar de subtop kan maken.  De Nieuwe Galgenwaard moet de supporters weer naar het stadion lokken met de belofte van luxe en veiligheid. Na afloop van de laatste wedstrijd in het oude stadion onderstreept de harde kern nog maar eens waarom. Na het laatste fluitsignaal bestormt de harde kern het veld en wordt een groot deel van het stadion vernield. Dit tot afschuw van veel supporters. De Galgenwaard was het walgen waard.

Een paar weken later is het stadion definitief tegen de vlakte. Utrecht is dan uitgeweken naar een tijdelijk stadion dat op het Veemarkt-terrein is gebouwd. Daar speelt de club bijna het volledige voetbalseizoen ’81-’82 voor tijdelijke tribunes. Op de plaats van het oude stadion verrijst een modern stadion waar plaats is voor 15.000 toeschouwers. Waar ooit een sintelbaan om het veld lag, ligt nu een gracht die moet voorkomen dat supporters het veld op kunnen komen. De hekken die dat voorheen moesten voorkomen, zijn weggehaald waardoor supporters weer een onbelemmerd zicht hebben op het veld. Staanplaatsen zijn er nauwelijks nog. Op de plaats waar de harde kern ooit stond, staan nu stoeltjes.

Nieuw Galgenwaard wordt in 1982 geopend en de club en de supporters hebben niet veel tijd nodig om er zich thuis te voelen. De club groeit uit tot een subtopper en de Galgenwaard zit regelmatig volgepakt. Ook vertegenwoordigers van buitenlandse clubs weten de weg naar het stadion te vinden. Niet voor het scouten van spelers maar voor de Galgenwaard zelf. Vooral Engelse en Schotse clubs zijn erg geinteresseerd in het stadion als het in het post-Hillsborough rapport van de Commissie Taylor geroemd wordt om zijn veiligheid.

Het stadion blijkt echter wel een beperkte houdbaarheid te hebben. Nog geen twintig jaar na de opening wordt de Galgenwaard opnieuw verbouwd. In 2002 is de nieuwe Galgenwaard af en wordt deze geopend als de Galgenwaard. De vier tribunes zijn nagenoeg identiek gemaakt en worden alleen verbonden door de opvallende dakconstructie. De capaciteit is door de ingrepen vergroot naar 24.000 plaatsen.

Dat aantal wordt vandaag tegen Heracles niet gehaald maar dat is niet te merken aan de sfeer op de tribunes. Daar leven de fans hartstochtelijk mee. De vonk slaat over want de thuisclub weet tegen een beter Heracles een punt uit het vuur te slepen. Een heerlijke sfeer, strijd op het veld en een najaarszonnetje. Ooit was de Galgenwaard het walgen waard. Vandaag de dag is het meer dan de moeite waard.

Voor de fijnproevers:

FC Utrecht – Heracles Almelo 2-2

Stadion Galgenwaard, 18 september 2011

Toeschouwers: 19.000

Opvallend: De Galgenwaard is ideaal voor glippers. In de hoeken van het stadion zitten kantoren van waaruit je goed zicht hebt op de velden.


Het goud

aan het eind van de regenboog.


Voetbalcultuur

image

Cultuur zit soms in een klein hoekje. Van een voetbalveld.


Wensen dat Benito Villamarin wordt afgemaakt

Op 20 augustus zou de Primera Division van start gaan maar de spelersstaking heeft daar echter een streep door gezet. Jammer, want de Spaanse KNVB had op die allereerste speeldag een droomaffiche gepland: de immer beladen derby Real Betis-Sevilla FC. Een wedstrijd die de Andalusische hoofdstad al wekenlang in zijn greep houdt en waarvan tot voor kort nog werd gevreesd dat die nooit meer zou worden gespeeld.

Een snikhete zaterdag in mei. Terwijl de temperatuur buiten is opgelopen tot een krappe veertig graden brengt een minstens zo hete Sevillaanse stadsbus me naar het oosten van de stad. Ik ben op weg naar het Estadio Benito Villamarin,  thuishaven van Real Betis de Balompie (Betis voor intimi en naar de Romeinse naam voor de Gualdalquivir die door de stad stroomt). Vooraf hoopte ik nog dat ik mezelf had uitgenodigd voor het kampioensfeestje van de club, maar omdat de concurrentie de week ervoor weigerde mee te werken laat dat partijtje tenminste nog een week op zich wachten. De stemming zit er evengoed goed in. Tegenstander Huesca wordt eenvoudig opzij gezet en de supporters nemen een luidruchtig voorschot op de titel. 35.000 in totaal wat het een behoorlijke opkomst maakt voor een wedstrijd in de tweede divisie. Toegegeven, het gereduceerde tarief waarmee seizoenkaarthouders extra kaarten kunnen aanschaffen, speelt vast mee maar duidelijk is dat Real Betis leeft.  En dat voor een ploeg die zo’n anderhalf eerder op sterven na dood was.

Het zijn de late ’90 van de vorige eeuw als het bestuur van Real Betis zijn toekomstplannen ontvouwt. De club moet, na ontsnapt te zijn aan een faillissement, binnen een paar jaar naar de Spaanse top. Om dat te bereiken wordt er fors  geïnvesteerd. Niet alleen in spelers (zoals de Brazilaan Denilson die in 1998 voor 32 miljoen euro tijdelijk de duurste speler ter wereld wordt) maar ook in het verouderde stadion. Net als Camp Nou en het Santiago de Bernabeu moet het stadion drie ringen krijgen en een capaciteit die kan oplopen tot boven de 70.000 plaatsen. President Ruiz de Lopera, architect van huis uit, tekent zelf voor het technische deel van het ontwerp.

Ruim tien jaar later staat de club opnieuw aan de rand aan de afgrond. Het beleid van Ruiz de Lopera die ironisch genoeg degene was die de club begin jaren ’90 redde van een faillissement, heeft niet meer opgeleverd dan een aantal subtopnoteringen, een Copa del Rey (2005) en een stadion dat slechts voor de helft is gerenoveerd. De Noord- en Oost-tribune zijn rond de eeuwwisseling inderdaad geheel volgens plan vernieuwd en strekken zich over drie niveaus uit maar eindigen in het niets. De Oost-tribune houdt op te bestaan bij een hekwerk dat moet voorkomen dat supporters van een, twee of drie hoog naar beneden vallen.  Het betonnen en de uitstekende vlechten wekken het idee dat de bouwvakkers hun werk uit hun handen hebben laten vallen toen bekend werd dat het geld bij de club op was.

Het stadion dat inmiddels luistert naar de naam Estadio Ruiz de Lopera, wordt zo onbedoeld symbolisch voor de club. Terwijl het er met het jaar desolater uitziet, heeft ook het sportieve verval zich langzaam ingezet. In 2009 degradeert de club. Zwarter kunnen de dagen voor de fans nauwelijks nog kleuren want terwijl Betis worstelt, rijgt stadgenoot Sevilla FC –waar Real Betis in 1907 uit voort is gekomen- de sportieve successen aaneen. Groen van jaloezie moeten de fans van Betis toekijken hoe hun rivalen onder anderen twee Europa Cups en aantal nationale bekerwinsten vieren.

Gelukkig besluit een aantal clubmensen dat Betis nooit verloren mag gaan en wordt de club die in 1935 voor de enige keer landskampioen werd, met hulp van buitenaf nieuw leven ingeblazen. Dit keer moet de weg naar boven op een verantwoorde wijze worden ingeslagen. Na een overgangsjaar lijkt dat te lukken. De meeste schulden zijn weggewerkt en de club is terug op het hoogste niveau waar het de competitie had mogen openen tegen de aartsrivaal. Een droomscenario dat zich zou hebben afgespeeld in het stadion dat inmiddels weer de naam heeft gekregen van Ruiz de Lopera’s voorganger.

Het stadion heeft dan nog steeds dezelfde trieste aanblik en de verwachting is dat dát nog wel even zo blijft. Geld voor de voltooiing is er niet en als er wel gelden beschikbaar zijn dan vloeit dat eerst terug naar de schuldeisers of wordt het in de selectie geinvesteerd. Real Betis is nog jaren veroordeeld tot het spelen in een stadion dat maar half af is en kan vooralsnog de stille wens koesteren dat het Estadio Benito Villamarin ooit nog wordt afgemaakt.

Fijnproeffeiten

Wedstrijd: Real Betis – Huesca (3-1)

Datum: 21 mei 2011

Stadion: Estadio Benito Villamarin (Sevilla, Spanje) 

Naar goed mediterraan gebruik is slechts de eretribune overdekt en moet de warmte in het stadion toch echt van de zon en de supporters komen. Verder vooral veel beton, verkleurde stoeltjes en achterstallig onderhoud. De sfeer is wel goed.  Opmerkelijk om te horen hoe de meegereisde Huesca-fans (vier in totaal) massaal worden toegezongen door het thuispubliek dat daarna massaal zwijgt om het gezongen dankwoord van de vier te kunnen horen waarna een daverend applaus volgt. Dergelijke vriendelijkheden zul je bij de derby niet zien. Dan is het oorlog op en rond het veld want de derby van Sevilla geldt als een van de meest beladen wedstrijden in Spanje.

Toeschouwers: 35.000

Toegangsprijs: Voor 30 euro heb je een kaartje voor de lange zijde, tweede ring.

Opvallend: In dit stadion werd de beruchte EK Kwalificatiewedstrijd Spanje-Malta (12-1) gespeeld. Hierin werkte Spanje onder verdachte omstandigheden zo hard aan zijn doelsaldo dat het zich koste van Nederland plaatste voor het EK in Frankrijk. Daar haalden de Spanjaarden uiteindelijk de finale die ze van het gastland verloren.


Komt dat schot


 Komt dat schot, originally uploaded by stadiongebod.

Praktische problemen vragen om een praktische oplossing. Dat hoef je ze op het Freethiel niet te vertellen. Daar weten ze wel weg met een lichtmast die niet opzij wil of een afgebroken zitje. Benieuwd wat Hugo Walker hierop zou zeggen.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 653 other followers