
Op 20 augustus zou de Primera Division van start gaan maar de spelersstaking heeft daar echter een streep door gezet. Jammer, want de Spaanse KNVB had op die allereerste speeldag een droomaffiche gepland: de immer beladen derby Real Betis-Sevilla FC. Een wedstrijd die de Andalusische hoofdstad al wekenlang in zijn greep houdt en waarvan tot voor kort nog werd gevreesd dat die nooit meer zou worden gespeeld.
Een snikhete zaterdag in mei. Terwijl de temperatuur buiten is opgelopen tot een krappe veertig graden brengt een minstens zo hete Sevillaanse stadsbus me naar het oosten van de stad. Ik ben op weg naar het Estadio Benito Villamarin, thuishaven van Real Betis de Balompie (Betis voor intimi en naar de Romeinse naam voor de Gualdalquivir die door de stad stroomt). Vooraf hoopte ik nog dat ik mezelf had uitgenodigd voor het kampioensfeestje van de club, maar omdat de concurrentie de week ervoor weigerde mee te werken laat dat partijtje tenminste nog een week op zich wachten. De stemming zit er evengoed goed in. Tegenstander Huesca wordt eenvoudig opzij gezet en de supporters nemen een luidruchtig voorschot op de titel. 35.000 in totaal wat het een behoorlijke opkomst maakt voor een wedstrijd in de tweede divisie. Toegegeven, het gereduceerde tarief waarmee seizoenkaarthouders extra kaarten kunnen aanschaffen, speelt vast mee maar duidelijk is dat Real Betis leeft. En dat voor een ploeg die zo’n anderhalf eerder op sterven na dood was.
Het zijn de late ’90 van de vorige eeuw als het bestuur van Real Betis zijn toekomstplannen ontvouwt. De club moet, na ontsnapt te zijn aan een faillissement, binnen een paar jaar naar de Spaanse top. Om dat te bereiken wordt er fors geïnvesteerd. Niet alleen in spelers (zoals de Brazilaan Denilson die in 1998 voor 32 miljoen euro tijdelijk de duurste speler ter wereld wordt) maar ook in het verouderde stadion. Net als Camp Nou en het Santiago de Bernabeu moet het stadion drie ringen krijgen en een capaciteit die kan oplopen tot boven de 70.000 plaatsen. President Ruiz de Lopera, architect van huis uit, tekent zelf voor het technische deel van het ontwerp.
Ruim tien jaar later staat de club opnieuw aan de rand aan de afgrond. Het beleid van Ruiz de Lopera die ironisch genoeg degene was die de club begin jaren ’90 redde van een faillissement, heeft niet meer opgeleverd dan een aantal subtopnoteringen, een Copa del Rey (2005) en een stadion dat slechts voor de helft is gerenoveerd. De Noord- en Oost-tribune zijn rond de eeuwwisseling inderdaad geheel volgens plan vernieuwd en strekken zich over drie niveaus uit maar eindigen in het niets. De Oost-tribune houdt op te bestaan bij een hekwerk dat moet voorkomen dat supporters van een, twee of drie hoog naar beneden vallen. Het betonnen en de uitstekende vlechten wekken het idee dat de bouwvakkers hun werk uit hun handen hebben laten vallen toen bekend werd dat het geld bij de club op was.
Het stadion dat inmiddels luistert naar de naam Estadio Ruiz de Lopera, wordt zo onbedoeld symbolisch voor de club. Terwijl het er met het jaar desolater uitziet, heeft ook het sportieve verval zich langzaam ingezet. In 2009 degradeert de club. Zwarter kunnen de dagen voor de fans nauwelijks nog kleuren want terwijl Betis worstelt, rijgt stadgenoot Sevilla FC –waar Real Betis in 1907 uit voort is gekomen- de sportieve successen aaneen. Groen van jaloezie moeten de fans van Betis toekijken hoe hun rivalen onder anderen twee Europa Cups en aantal nationale bekerwinsten vieren.
Gelukkig besluit een aantal clubmensen dat Betis nooit verloren mag gaan en wordt de club die in 1935 voor de enige keer landskampioen werd, met hulp van buitenaf nieuw leven ingeblazen. Dit keer moet de weg naar boven op een verantwoorde wijze worden ingeslagen. Na een overgangsjaar lijkt dat te lukken. De meeste schulden zijn weggewerkt en de club is terug op het hoogste niveau waar het de competitie had mogen openen tegen de aartsrivaal. Een droomscenario dat zich zou hebben afgespeeld in het stadion dat inmiddels weer de naam heeft gekregen van Ruiz de Lopera’s voorganger.
Het stadion heeft dan nog steeds dezelfde trieste aanblik en de verwachting is dat dát nog wel even zo blijft. Geld voor de voltooiing is er niet en als er wel gelden beschikbaar zijn dan vloeit dat eerst terug naar de schuldeisers of wordt het in de selectie geinvesteerd. Real Betis is nog jaren veroordeeld tot het spelen in een stadion dat maar half af is en kan vooralsnog de stille wens koesteren dat het Estadio Benito Villamarin ooit nog wordt afgemaakt.
—
Fijnproeffeiten
Wedstrijd: Real Betis – Huesca (3-1)
Datum: 21 mei 2011
Stadion: Estadio Benito Villamarin (Sevilla, Spanje)
Naar goed mediterraan gebruik is slechts de eretribune overdekt en moet de warmte in het stadion toch echt van de zon en de supporters komen. Verder vooral veel beton, verkleurde stoeltjes en achterstallig onderhoud. De sfeer is wel goed. Opmerkelijk om te horen hoe de meegereisde Huesca-fans (vier in totaal) massaal worden toegezongen door het thuispubliek dat daarna massaal zwijgt om het gezongen dankwoord van de vier te kunnen horen waarna een daverend applaus volgt. Dergelijke vriendelijkheden zul je bij de derby niet zien. Dan is het oorlog op en rond het veld want de derby van Sevilla geldt als een van de meest beladen wedstrijden in Spanje.
Toeschouwers: 35.000
Toegangsprijs: Voor 30 euro heb je een kaartje voor de lange zijde, tweede ring.
Opvallend: In dit stadion werd de beruchte EK Kwalificatiewedstrijd Spanje-Malta (12-1) gespeeld. Hierin werkte Spanje onder verdachte omstandigheden zo hard aan zijn doelsaldo dat het zich koste van Nederland plaatste voor het EK in Frankrijk. Daar haalden de Spanjaarden uiteindelijk de finale die ze van het gastland verloren.
Like this:
Be the first to like this post.